Wanneer je voorstelt om eerst bij collega’s te peilen welke cliënten mogelijk baat hebben bij de Compaan, zie je Margot en Ilse even twijfelen.
Gesprek met Margot en Ilse:
Ilse wrijft met haar hand over haar nek en kijkt Margot aan. “Tja, we kunnen het natuurlijk vragen… maar wie dan? We weten niet echt wie hier zin in heeft.”
Margot knikt langzaam. “De meeste collega’s staan hier niet bepaald om te springen. En als we zomaar rond gaan vragen, loop je het risico dat mensen meteen beginnen te roepen dat het ‘weer extra werk’ is.”
Er valt een korte stilte waarin jullie nadenken.
Dan zegt Ilse ineens: “Misschien kunnen we Esther vragen? Zij was in de teamvergadering best geïnteresseerd. En ze is nog nieuw hier, dus ze staat misschien wat meer open voor dit soort dingen.”
Margot knikt enthousiast. “Ja, dat zou een laagdrempelige manier zijn om iemand extra te betrekken. We kunnen haar vragen of zij een cliënt kent die hierbij past.”
Toch knaagt er iets bij je. Je weet dat je op deze manier vooral in de groep blijft die al enthousiast is. Als je écht wilt dat de Compaan breed gedragen wordt, zou je misschien juist een kritische collega moeten benaderen.
Wat doe je?